HANDELINGEN VAN DE KONINKLIJKE COMMISSIE VOOR GESCHIEDENIS, VOL. 190, 2024


Jean-Marie Yante, « Dénombrer et évaluer pour mieux partager. Documents préparatoires au partage des Terres communes aux duchés de Bar et de Luxembourg (1602-1603) » (p. 1-113).

In de zestiende eeuw veroorzaakte de dubbele soevereiniteit, die door de hertog van Bar en door de hertog van Luxemburg over gebieden in het Noorden van Lotharingen en over territoria die tot het voormalige graafschap Chiny hadden behoord werd uitgeoefend, een toenemend aantal betwistingen. Het condominium had vanaf de dertiende eeuw bijgedragen tot de welvaart van de gemeenschappen rond Marville en Arrancy, maar een zich consoliderende moderne staatsvorming was moeilijk verzoenbaar met uit de middeleeuwen overgeërfde institutionele en juridische particularismen. Herverdeling van soevereiniteit, het zoeken naar aanvaardbare oplossingen voor “betwiste gebieden” en het doen verdwijnen van enclaves vereisten een nauwkeurig onderzoek en een evaluatie van de betrokken gebieden. In 1602 stelden de aartshertogen Albrecht en Isabelle als soevereine vorsten van de Nederlanden en Karel III, hertog van Bar-Lotharingen daartoe commissarissen aan. Voor hen wordt een gedetailleerde vragenlijst opgesteld. De verklaringen voor de verschillende dorpen en gehuchten, opgesteld met de hulp van leden van de lokale rechtbanken, zijn samengevat in een Estat abbrégé. Het Musée Condé (Chantilly) bewaart dossiers van deze omvangrijke onderneming. Deze bijdrage probeert niet dit uitzonderlijk materiaal systematisch en grondig te onderzoeken, maar wil bij wijze van voorbeeld uit de verklaringen die in Arrancy (de meest bevolkte gemeenschap) werden opgetekend informatie over de inwoners met betrekking tot hun beroepsactiviteit, bezit en grondgebruik naar voor halen. Daarnaast zijn gegevens uit de Estat abbrégé samengebracht en als statistieken voor het geheel van de betrokken gebieden gepresenteerd. Met uitzondering van Marville en enkele dorpen in de omgeving die tot 1659-1661 onverdeeld zijn gebleven, gebeurde de opdeling in 1602-1603.

Marieke De Baerdemaeker & Jo Tollebeek, « Brusselse faience in het Broodhuis. De inventaris van de collectie Evenepoel door Guillaume Des Marez (1911) » (p. 115-158).

Na de onverwachte vlucht van Jacoba van Beieren, vorstin van Henegouwen en Holland-Zeeland op 31 augustus 1425 uit de voormalige grafelijke residentie het hof van Posteerne in Gent waar ze in huisarrest was geplaatst, werd op bevel van haar neef hertog Filips de Goede van Bourgondië en in aanwezigheid van haar moeder, Margareta van Bourgondië, een gedetailleerde inventaris opgemaakt van de door Jacoba achtergelaten goederen. De inventaris levert een uitzonderlijk beeld op van zowel de luxe goederen als van de voor dagelijks gebruik bestemde voorwerpen uit de onmiddellijke omgeving van de vorstin. De ambtenaren en hoogwaardigheidsbekleders die bij het opmaken van de inventaris betrokken waren illustreren op hun beurt de politiek gevoelige aspecten die de achtergrond vormen van deze dramatische episode uit het proces van Bourgondische eenmaking in de Lage Landen. De inventaris is op een niet evidente plek bewaard gebleven, het archief van de Rekenkamer in Dijon, waar het wellicht terecht is gekomen ter informatie van de kanselier Nicolas Rolin.

Guy Vanthemsche, « ‘Colloque singulier’. Les audiences de Jean Rey, ministre des Affaires économiques, auprès du roi Baudouin (1954-1958) » (p. 159-234).

Dit artikel reproduceert en becommentarieert de notities die minister van Economische Zaken Jean Rey (1954-1958) opstelde na zijn audiënties bij koning Boudewijn. Vertrouwelijke één-op-één gesprekken tussen de vorst en zijn ministers worden altijd geheimgehouden; de inhoud van deze zogezegde ‘colloque singulier’ is daarom zeer zelden bekend, zowel bij tijdgenoten als bij historici. De aantekeningen die bewaard worden in de privéarchieven van Jean Rey, gedeponeerd in de archieven van de Université libre de Bruxelles, bieden dan ook een zeer zeldzaam inzicht in dergelijke gesprekken. Ze leveren tal van nieuwe elementen op over het beleid van de socialistisch-liberale regering onder leiding van Achille Van Acker (in het bijzonder over het economisch beleid dat door deze coalitie wordt gevoerd), over de concrete dynamiek van de ‘colloque singulier’, maar ook over de persoonlijkheid van zowel het staatshoofd als de minister.

Michèle Galand, Hommage à Jean-Marie Duvosquel (p. 401-403).


Alle handelingen

Meer handelingen