Voor auteurs


Zoals bepaald in het organiek reglement van 1 april 1976, heeft de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis tot opdracht:

“de schriftelijke bronnen met betrekking tot de geschiedenis van België op te sporen, te registreren, uit te geven en te onderzoeken, kritische studiën over deze bronnen te publiceren en werkinstrumenten ter beschikking van de geschiedkundigen te stellen”.

Het overzicht en de catalogus van de publicaties van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis getuigen van haar activiteiten.

Zowel door de wetenschappelijke bijdragen die zij, na onderzoek, publiceert, als door de werkzaamheden van haar leden, heeft de Commissie voortdurend een actieve rol gespeeld in de Belgische historische wereld. Haar vele uitgaven zijn hiervan de weerspiegeling. Via deze initiatieven wil ze het onderzoek stimuleren en oriënteren. Zij waakt er ook over het onderzoek te inspireren, door de historische wereld attent te maken op bronnen die eventueel kunnen leiden tot het bewandelen van nieuwe paden.

In de loop van de jaren heeft dit beleid zich verder ontwikkeld en gediversifieerd. De aanwezigheid in de Commissie van universiteitsprofessoren en archivarissen, heeft steeds een vruchtbare kruisbestuiving opgeleverd. De richtlijnen voor de opstelling van de tekstuitgaven bevinden zich hier.

Hoe een publicatie indienen?

Het uitgeven van de bij de Commissie ingediende manuscripten is onderhevig aan haar goedkeuring. Twee leden van elke taalrol zijn belast met het nagaan van de wetenschappelijke waarde van de voorgelegde bijdrage. Zij waken tevens over het respect voor de regels vastgelegd in de Voorschriften bij het uitgeven van geschiedkundige teksten. Eventuele opmerkingen worden aan de auteurs meegedeeld, en zij worden verzocht daarmee rekening te houden.

Eén van de vier commissarissen wordt aansluitend belast met het laatste nazicht van de verbeterde tekst.

De manuscripten dienen te worden gericht aan de:
Secretaris-penningmeester van de Commissie,
Paleis der Academiën, Hertogstraat , 1
B-1000 Brussel.

Zeker in het geval van omvangrijke publicaties, is het aangewezen het project in kwestie voorafgaandelijk aan de Commissie voor advies voor te leggen. Alle verdere inlichtingen kunnen telefonisch worden verkregen via het nummer 32 (0)2 550 22 09 of per e-mail: jeanluc.depaepe@gmail.com.

Historische ontwikkeling

De volgende paragrafen beogen enkel de verschillende door de Commissie uitgegeven reeksen chronologisch te situeren en in hun context te plaatsen. Een exhaustieve opsomming van de titels die de onderscheiden reeksen vormen, vindt men in de catalogus van de publicaties.

In den beginne, en het chronologisch overzicht toont dit aan, legde de Commissie zich toe op het opsporen en het publiceren van onuitgegeven Belgische kronieken. Nochtans omvatte haar eerste publicatie in dit kader, in-4°, in bijlage tevens een editie van oorkonden die onmisbaar werden geacht voor het goede begrip van de gepubliceerde kroniek.

Vanaf 1837 steunt de Commissie het door Gachard voorgestelde project om een Table chronologique des chartes et diplômes imprimés concernant l’histoire de la Belgique [Chronologische tafel van de uitgegeven oorkonden en akten betreffende de geschiedenis van België] op te stellen, in navolging van datgene wat L. de Bréquigny sinds 1769 voor Frankrijk had op gang gebracht.
Een Koninklijk Besluit in deze zin wordt gepubliceerd op 8 december van dat jaar.
Een Ministerieel Besluit van 16 november 1838 legt de regels vast die hiervoor zullen moeten worden gevolgd.
In 1857, bij de dood van Emile Gachet -die door de Commissie was aangetrokken om dit werk te realizeren- was men gekomen tot een totaal van 16.151 oorkonden en akten.
Vanuit geografisch oogpunt werd besloten het veld te verruimen tot alle gewesten die in de loop der eeuwen de Zuidelijke Nederlanden hadden uitgemaakt. Het eerste deel, dat de regesten bevat van de oorkonden van vóór 1100, verscheen in 1866. Bij zijn dood in 1898 had Wauters 10 delen gepubliceerd, waarmee het project gevorderd was tot 1350. Het gebruik zorgde ervoor dat het werk werd aangeduid met de naam van de onvermoeibare realisator, eerder dan met de eigenlijke titel.
Een algemeen supplement, dat alle akten omvatte uitgegeven van 1888 tot 1946, sloot het project af.
Dit elfde volume, bestaande uit 4 delen, leidde in 1971 tot een reeks correcties en indices. Nochtans drong een algehele herziening zich op. De analyses gaven inderdaad geen informatie over de diplomatieke herkomst van de oorkonden, en de onuitgegeven akten ontbraken helemaal.
Dit werk werd ondertussen gerealiseerd, op dit ogenblik tot het jaar 1200
De “Nieuwe Wauters” heeft het licht gezien in 1997, onder de vorm van een CD-rom. Hij draagt als titel Thesaurus diplomaticus.

De aan de Commissie toebedeelde taak omvat het opsporen van onuitgegeven bronnen, waarvan er sommige de eer zullen genieten van te worden uitgegeven. De omvangrijke prospectie die in de 19e eeuw werd ondernomen in Belgische en buitenlandse collecties, van private of publieke aard, mondde uit in talrijke archiefrapporten. Deze vullen vele bladzijden in de Handelingen. In de Handelingen worden ook heel wat als interessant omschreven bronnen gepubliceerd. De Reiffenberg en Gachard mogen in dit opzicht worden beschouwd als de meest actieve leveranciers. De Registers, die regelmatig worden gepubliceerd, laten toe de enorme documentaire schat die aldus werd bijeengebracht, beter te benutten.

Nog steeds onder impuls van Gachard sneed de Commissie, die zich vanuit chronologisch oogpunt had beperkt tot de middeleeuwen, de 16e eeuw aan. Zijn werk Retraite et mort de Charles Quint au monastère de Yuste. Lettres inédites, opende in 1854 de reeks in-8°. Deze nieuwe reeks werd beschouwd als een aanvulling op de Handelingen, en zou de studies opvangen die te uitgebreid waren om in de Handelingen te worden gepubliceerd.

In 1896 worden op initiatief van Pirenne de Voorschriften bij het uitgeven van geschiedkundige tekstenuitgewerkt. Deze uitgaveregels zullen worden herzien in 1922, en aangevuld in 1940 en 1943, en dit rekening houdend met de nieuwe problemen die zich hadden aangediend. De uitgaveregels werden helemaal herwerkt in 1955, om ze meer in overeenstemming te brengen met de eisen gesteld door de filologische kritiek. Later zouden nog aanvullingen het licht zien, gepubliceerd in de Handelingen van 1980 (p. XX-XXIII en LVI-LXV).

Toen Godefroid Kurth in 1898, na het overlijden van Alphonse Wauters, secretaris van de Commissie was geworden, stelde hij haar een gestructureerd schema voor met het oog op de werkzaamheden op lange termijn. Sinds 1834 was hiertoe inderdaad niets meer ondernomen. De nadruk werd gelegd op de volgende categorieën: kronieken, cartularia, overzichten van akten, statistische bronnen, obituaria, verzamelingen teksten voor de studie van de geschiedenis van België, diplomatische bronnen bewaard in buitenlandse depots, facsimiles. De belangstelling voor bronnen betreffende de economische en demografische geschiedenis, illustreerde duidelijk de nieuwe wind die in de Commissie begon te waaien. De invloed van Pirenne, leerling van Kurth en lid van de Commissie sinds 1891, was daar wellicht niet vreemd aan. De buitenlandse prospectiemissies, voorheen sporadisch, kregen nu een meer regelmatig karakter (Rijsel, Wenen, Napels).

Pirenne lanceerde een nieuwe reeks publicaties, en dit met het oog op het beschikbaar maken van kwaliteitsvolle uitgaven van belangrijke verhalende bronnen. Deze zouden onder andere dienen voor de opleiding van jonge historici via universitaire seminaries. Het eerste deel van de Recueil de textes pour servir à l’étude de l’histoire de Belgique ziet het licht in 1904.

In 1929 onderging het project van de overleden Godefroid Kurth om een grote collectie van catalogi van diplomatische akten op te stellen, met regestenlijsten naar Duits model, op initiatief van Pirenne een radicale transformatie. Er wordt beslist werk te maken van de volledige publicatie van de teksten, eerder dan er slechts analyses van te brengen. De Verzameling van de akten der Belgische vorstenziet het licht. Het doel van de reeks is het geheel van oorkonden uitgevaardigd door de nationale vorsten van vóór de Bourgondische periode, te publiceren. Het eerste deel rolt van de persen in 1936.

In 1948 verschijnt het eerste deel van een nieuwe reeks, de Actes des États généraux des Anciens Pays-Bas (Handelingen van de Staten-Generaal van de oude Nederlanden). Dit betreft de verderzetting en de afwerking van de initiatief van Cuvelier [portret]. Reeds in 1861-1866 had Gachard in de reeks in-8° de Actes des États généraux des Pays-Bas, 1576 à 1585. Notice chronologique et analytique (Handelingen van de Staten-Generaal van de Nederlanden, 1576-1585. Chronologische en analytische mededeling) gepubliceerd. Vanaf het einde van de jaren 1950 wordt de aandacht voor de handelingen van de gewestelijke standenvertegenwoordigingen geconcretiseerd in meerdere publicaties.

In 1954 slaagde de Commissie erin aan haar budget opnieuw een krediet toe te voegen voor buitenlandse missies. Zo kon zij systematische onderzoeksopdrachten laten uitvoeren naar bronnen betreffende de geschiedenis van België, bewaard in het buitenland (onder andere in Wenen en in Simancas, en de Archives de la Guerre et de la Marine in Parijs). De verslagen van deze missies, gepubliceerd in de Handelingen (1962-1969, 1979-1980), leidden zo tot omvangrijke publicaties van regesten. Men vindt ze in de reeksen in-4° en in-8°. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd in overleg met de Interuniversitaire Kommissie voor Mikrofilm, in 1949 opgericht door het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Deze samenwerking werd vergemakkelijkt door het feit dat de secretaris-penningmeester van de Commissie, professor Paul Bonenfant tevens voorzitter was van deze Interuniversitaire Kommissie.
Op 10 jaar tijd werden 1.300.000 opnames van documenten gemaakt, die ter beschikking van de onderzoekers worden gesteld.

Datzelfde jaar besliste de Commissie meer plaats in te ruimen voor de hedendaagse geschiedenis. Ze voorzag hiertoe twee reeksen, die tenslotte teruggebracht werden tot één reeks onder de titel van Documenten betreffende het internationaal statuut van België sedert 1830.

De Commissie voegde tevens een nieuwe onderdeel toe aan haar missie, met name het ter beschikking stellen aan historici van Werkinstrumenten. Het eerste volume rolde vier jaar later van de persen. Het betrof een historische geografische kaart van Het Prinsbisdom Luik in 1789, verzorgd door Joseph Ruwet.

In oktober 1980 besluit de Commissie naast de Akten der Belgische vorsten tevens een reeks te publiceren met als titel Regesten van de akten der Belgische vorsten. Een eerste deel verschijnt in 1991.

In 1995, tijdens een persconferentie in aanwezigheid van dhr. Y. Ylieff, minister van Wetenschapsbeleid,werd het eerste deel van een nieuwe reeks voorgesteld, de Bronnen betreffende de geschiedenis van België tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De eerste electronische uitgave van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis -het resultaat van de samenwerking met het Cetedoc (Katholieke Universiteit Leuven te Louvain-la-Neuve) en het Comité national du Dictionnaire du Latin médiéval- ziet het licht in 1997 onder de naam Thesaurus diplomaticus.

Hiermee wordt het overzicht afgesloten van de reeksen die vandaag door de Commissie worden uitgegeven. In de catalogus van de publicaties staat de volledige lijst van titels opgenomen, verschenen in elk van deze reeksen.
Deze lange lijst illustreert hoe de brede onderzoeksvelden zoals gedefinieerd in 1834 en nadien in 1898, het voorwerp zijn geworden van een uitgebreide ontginning. Binnen deze grote oriëntaties werd het onderzoek verdergezet, rekening houdend met de evoluties binnen de historische wetenschap en met de nieuwe belangstellingssferen van de historici. De methodologie werd verfijnd. De kritische uitgaven worden nu voorafgegaan door uitgebreide diplomatische en paleografische inleidingen, die op zich soms al een heel deel vullen. In de loop van de tijd is de rijkdom en de variëteit van de grote categorieën van bronnenreeksen, duidelijk gebleken. De typologie van de bronnen werd geleidelijk aan verrijkt en gediversifieerd.
Zonder zich te laten afremmen door beperkende schema’s, wanneer men rekening houdt met de over het algemeen verschillende facetten van een bron, volstaat het ene of het andere voorbeeld om deze evolutie te illustreren. Aldus was het met de uitgave van briefwisseling en rapporten allerhande, waarmee begonnen werd in de jaren 1850, de bedoeling handelingen te belichten van de groten der aarde of hun diplomaten.
Nadien, in de jaren 1930, was het de beurt aan commerciële briefwisseling en aan de briefwisseling van Ferdinand Verbiest, in de 17e eeuw directeur van het keizerlijk observatorium te Peking.
Met de groeiende belangstelling voor de mentaliteitsgeschiedenis, werd de groep bronnen van private aard nog meer uitgebreid: dagboeken van stedelingen uit de 16e eeuw (1969), memoires van een politicus uit de 19e eeuw (1989), brieven een banneling (1991), of ontroerende herinneringen aan een gevangenschap (1995).
Het vakgebied van de economische geschiedenis stelt de variëteit aan invalshoeken nog beter in het daglicht. Een eerste benadering leidt langs leenboeken (1865) en het polyptiek van Sint-Truiden (1896).
Nadien zijn het themata als prijzengeschiedenis (1902), lakennijverheid (1906), stadsrekeningen (1909), en haardtellingen (1912), die tevens een demografisch belang hebben.
Niettegenstaande het feit dat men in de vermelde richtingen verderging, werd de waaier nog meer verbreed. Zonder volledigheid na te streven kunnen worden vermeld: bevolkingstellingen (1939), de bewijsstukken van de ontvangers der territoriale vorsten (1941) of hun rekeningen (1962), arbeidscontracten (1941), cijnsboeken (1959), tolrekeningen (1947), abdijrekeningen (1962), rekeningen van private ondernemingen (1969) of van een officialiteit (1995), staten van bezittingen (1979).
Prijs- en loonpolitiek in de 16e eeuw (1962), industriële statistiek (1974) en economische beschouwingen van een 18e-eeuwse handelaar (1978), en ook metrologie (1993), hebben eveneens kunnen rekenen op de belangstelling van de Commissie.

De veelheid aan bronnen die voor uitgave in aanmerking komen, leidt tot een zekere selectiviteit. Zowel de zorg voor efficiëntie als de financiële beperkingen leggen keuzes op. Een rigied beleidsplan zou anderzijds de creativiteit van de medewerkers afremmen. Deze medewerkers, waarvan de overgrote meerderheid niet bezoldigd wordt, hebben in het verleden door hun initiatieven al vaker interessante pistes geopend. Hun voorstellen, die altijd welkom zijn, zullen met belangstelling worden bestudeerd.
Toch kan men niet heen om een zeker aantal prioriteiten. Wat op een bijzondere belangstelling kan rekenen, zijn o.m. deze bronnen die een bijdrage leveren tot de vernieuwing van het onderzoek of die inspelen op de grote internationale stromingen in de historiografie, of bronnen die minder gekend zijn en minder gebruikt worden en die kunnen gelden als voorbeeld.

Verdere literatuur

Walter PREVENIER, “Randbedenkingen bij het uitgavebeleid van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis aan de vooravond van de 21ste eeuw”, in Handelingen van de Genootschap voor Geschiedenis, dl. CXXXIII, 1996, p. 163-171